Vierdaagse: hoe gaat het lopen?

18/07/2010
Door Jessica

vierdaagse_polsbandjeVandaag heb ik mijn startbewijs voor de Nijmeegse Vierdaagse opgehaald: ik ben in het bezit van een polsbandje dat ik hopelijk pas vrijdag weer verlies.
Ik begin me nu al een beetje zenuwachtig te maken: over de afstand, vier dagen lang, mijn voeten, mijn spieren, het weer, en zo kan ik nog wel even door gaan… Maar waar het op neerkomt: ik moet gewoon gaan lopen.

Nu is er wel iets bijzonders aan het werkwoord lopen. Het geeft namelijk geen eindpunt aan, en geloof me, daar heb ik echt wel behoefte aan.
“Ik loop de Vierdaagse.”
“Ik loop naar huis.”
Deze zin zegt niets over het daadwerkelijk uitlopen van de Vierdaagse; ik zou zomaar een gedeelte kunnen lopen (al ben ik dat niet van plan). Terwijl de tweede zin wel een duidelijk eindpunt aangeeft. Zijn er daarom een groot aantal uitvallers tijdens de Vierdaagse?

Nu zijn werkwoorden van beweging sowieso aparte gevallen. Bij het ene werkwoord verandert de betekenis van de zin als je een lijdend voorwerp toevoegt en bij de ander niet:
“Ik loop”
“Ik loop de Vierdaagse”
“Ik smelt” (Ja het wordt warm de eerste wandeldag…)
“Ik smelt de boter”
Wat maakt het verschil? Smelten is een ergatief werkwoord en lopen niet. Een ergatief is een constructie waarbij een voorwerp de de functie van het onderwerp overneemt: ik smelt, de boter smelt. Hier is dus ook geen sprake van een dader. En vergelijk dat maar eens met: ik loop. Daar ben ik toch echt de ‘dader’.

Kortom: Het Nederlands is de schuld van het aantal uitvallers en echt we moeten het ook nog eens allemaal zelf doen tijdens de Vierdaagse…
Het ligt allemaal aan onze taal!

Reageren

Zoek op taalvariatie.nl

Volg taalvariatie op Twitter